Grondslagen 

Waar het de Stuurgroep voor Morele Bijstand initieel om te doen was (en nog steeds is): vanuit de optie voor solidariteit en de zorg voor een pluralistische, zorgzame samenleving, in een door Caritas beheerde en beheerste verzorgingsmaatschappij, de behoefte een spirituele, morele ondersteuning van de niet-confessionelen zichtbaar maken en pogen eraan tegemoet te komen.

Het KB van 1964 voorzag ‘dat de vrijheid van wijsgerige, godsdienstige of politieke overtuiging voor elke patiënt zal gewaarborgd worden’.  Het zou echter tot 1970 duren vooraleer de ziekenhuizen hun deuren openden voor moreel consulenten en andere bedienaren van erediensten.

Het KB van 12 januari 1970 legt het volgende vast:

‘Aan de bedienaren van de erediensten en de lekenraadgevers die door de patiënten gevraagd worden, zal ongehinderd toegang worden verleend tot de inrichting: zij moeten er voor de uitoefening van hun opdracht de geschikte sfeer en faciliteiten vinden.  Volledige vrijheid van levensbeschouwing, godsdienst en politieke overtuiging dient voor iedereen gewaarborgd te worden’.

In een omzendbrief van 3 november 1971 trachtte de toenmalige minister van Volksgezondheid Nameche concrete uitvoering te geven aan dit K.B. In zijn omzendbrief staat te lezen dat aan elke patiënt een keuzeformulier dient overhandigd te worden bij opname, waarin de vrije keuze bekend gemaakt wordt voor het ontvangen van morele, godsdienstige of filosofische bijstand. Indien de patiënt het keuzeformulier weigert in te vullen dient dit geïnterpreteerd te worden als een weigering tot het ontvangen van elke aard van geestelijke bijstand.

Van bij aanvang kwam er hevig verzet van de ziekenhuisdirecties behorende tot de caritaszuil.  Onmiddellijk ontsloeg de Ministeriële Omzendbrief van Minister Servais (13 maart 1972) de instellingen van de plicht om de regeling toe te passen. 

Het bleef wachten tot 5 april 1973 toen minister van Volksgezondheid en Leefmilieu, De Saeger  bij omzendbrief nieuwe richtlijnen uitwerkte voor ziekenhuizen. Deze omzendbrief bekrachtigt het principe dat geestelijke zorg behalve een recht, een noodzaak is. Als patiënt moet men naargelang zijn/haar godsdienstige of niet-godsdienstige achtergrond beroep kunnen doen op het bezoek van een moreel consulent, een aalmoezenier, dominee of rabbijn.

Ook wordt de informatieplicht van het ziekenhuis m.b.t. de mogelijkheden tot morele, godsdienstige of filosofische bijstand, via het keuzeformulier bekrachtigd. De richtlijnen in de omzendbrief De Saeger zijn nog steeds van toepassing en werden opnieuw bevestigd in de omzendbrief van ministers De Galan en Colla (13 maart 1997). 

De Stichting voor Morele Bijstand startte dus met het inrichten van morele bijstand in ziekenhuizen. Later, in een omzendbrief van minister Busquin van 5 juni 1990,  is de morele dienstverlening eveneens officieel erkend in woonzorgcentra (WZC). Voor de WZC geldt dezelfde informatieplicht via het keuzeformulier.